Geertje Lagerwij

"Waar een deur dicht klapt, gaat altijd weer een raam open"


9 oktober 1940 - 19 maart 2021

Bij mijn binnenkomst stelt ze zich gelijk voor als Geertje.
Haar heldere oogopslag is wat me direct treft, net als haar stem die nog altijd kracht bezit.
Ze vertelt over haar ziektegeschiedenis en hoe blij ze is met de hulp van haar buren, die véél meer zijn dan buren.
We wisselen nog wat uit over onze levens en gaan de afscheidsbrief schrijven voor haar vrienden. Ik ben niet verrast dat ze al precies weet wat ze op papier wil. Kort en bondig laat ze me neerschrijven dat haar leven gaat eindigen, dat ze daar vrede mee heeft en hoe vrienden en vriendinnen eventueel nog contact kunnen hebben met haar. Een kwartier later is de brief klaar. Als toevoeging geeft ze aan in welk lettertype de brief moet.

“Zullen we nog wat praten samen? Ik geloof dat het wel klikt tussen ons.”
Ze wil graag weten van waaruit ik dit werk doe en wat het moment was dat ik ermee begonnen ben. Ik vertel haar dat alvorens ik dit werk kon gaan doen ik eerst innerlijke zaken op orde moest hebben. Alleen dan kan ik er zijn voor de ander.
“Oh, dus jij hebt ook wel wat hang-ups overgehouden aan je leven?”
Op mijn vraag wat haar grootste hang-up is vertelt ze me over die dag in 1944 (ze was toen 4 jaar oud) dat ze moesten vluchten in Nijmegen vanwege fosforbranden.
Ze liep aan de hand van haar vader. Haar zusje liep aan de hand van het kindermeisje en moeder liep achter hen met het broertje in de kinderwagen. Moeder kon hiermee niet over de omgevallen bomen, waarover Geertje en haar vader al wel geklommen waren. Ze vertelt over de lijken van dode soldaten die in die bomen verstrikt zaten, een beeld dat zich diep nestelde in haar geheugen. Vader riep moeder toe dat hij haar kwam helpen. “Maar wat doe je dan met Geert?”, riep die. “Geert die redt zich wel!”
Dat zinnetje “Geert die redt zich wel” is haar hang-up geworden in dit leven.
En met een flinke dosis eigengereidheid en doorzettingsvermogen heeft ze zichzelf gered in dit leven. Dat het niet altijd gemakkelijk was, werd heel helder uit de verhalen die ze vertelt. Over haar liefdesleven, haar werk als psycholoog en over haar broer en zus. “Ik heb een rijk leven gehad. Niet altijd gemakkelijk, maar rijk.” Liggend op haar bed kijkt ze terug op haar leven, op alle mooie dingen die ze beleefd heeft, de reizen die ze gemaakt heeft en de mensen die ze in haar leven heeft mogen ontmoeten.
“Hoe kijk jij aan tegen de dood?”, vraagt ze me. Ik vertel haar dat van jongs af aan de dood voor mij als vanzelfsprekend bij het leven hoort, dat dat niet veranderd is, maar dat ik hoop dat het stervensproces mild mag zijn en vooral dat ik dan de moed heb me er aan over te geven.
Een grote glimlach verschijnt op haar gezicht. “Ja, wat er na de dood is, is niet zo belangrijk. Het leven en hoe je het afrondt, daar gaat het om. Ik hoop alleen dat dit laatste stukje niet te lang en te zwaar zal zijn.”

Een paar dagen later mag ik een nacht bij haar waken. Het gaat snel. Ze oogt zwakker, maar zit rechtop in haar bed. Het kost haar duidelijk moeite. We spreken heel kort. Ze is erg moe, de pijn eist zijn tol. Ze vraagt om haar pijnmedicatie en geeft aan te willen slapen. Ik help haar comfortabel te gaan liggen en stop haar in zoals ze dat prettig vindt. “Fijn. Wat word ik toch verwend.” Ik wens haar een goede slaap toe, dim de lichten en ga op een afstand zitten.
De morfine doet zijn werk en langzaam zakt ze weg. Haar ademhaling is oppervlakkig, maar regelmatig en ik kan met een gerust hart wat te eten voor mijzelf maken en koffie zetten.

Gedurende de nacht zijn er regelmatige momenten waarin ze half bij bewustzijn in onrust rechtop gaat zitten terwijl de kracht om in balans te blijven haar ontbreekt. Haar steun bieden, zittend naast of achter haar is wat ik kan doen. Meegaan in haar bewegingen, haar ruimte geven en ervoor zorg dragen dat ze veilig blijft.
Tijdens één van die momenten die nacht zit ik achter haar, mijn handen naast haar schouders om haar bewegingen op te vangen. Ik spreek zachtjes tegen haar, maar mijn woorden lijken niet bij haar aan te komen, tot ze plots reageert door zich achterover leunend tegen mij aan te ontspannen. Ze probeert te spreken ondersteund door handbewegingen, maar ik vermoed dat de medicatie maakt dat ze heen en weer reist tussen bewustzijn en sluimeren. Ik laat haar weten dat het ok is, dat ik bij haar blijf en zorg zal dragen voor haar. Ik voelde geen verzet in haar onrust, het is meer een beetje bij beetje loslaten van haar levensenergie op weg naar overgave. Ik heb dit vaker gezien, het gaat op en neer, stap voor stap. Erbij zijn, nabij zijn, meebewegen, dat is hoe ik steun kan bieden.
Wanneer ze weer dieper in slaap is, laat ik haar weer voorzichtig op haarzelf liggen.
Tegen de ochtend word ik afgelost door haar trouwe liefdevolle steun en toeverlaat, en wordt Geertje ook wakker. Ik neem afscheid van haar, bedank haar dat ik deze nacht voor haar mocht zorgen. Een glimlach en een kort moment van waar oogcontact valt me te deel.
Ze heeft me geraakt.
Twee nachten later laat ze het leven los in het bijzijn van degenen die haar zo na zijn.

 

 

Geef een reactie